Een sprookje in drie bedrijven 

Opgevoerd door Toneelgoep Slavisch Seminarium
op 1 en 2 december 1995
in het Universiteitstheater in de Doelenstraat


Eerste bedrijf
In het huis waar de dolende held Lancelot vandaag arriveert is niemand thuis, behalve de kat. De kat aarzelt, maar na enig aandringen vertelt ze hem over een naderend onheil: al vierhonderd jaar is de stad in de greep van een draak. Als beloning voor zijn 'goede werken' eist hij elk jaar een jong meisje. Dit jaar is het de beurt aan Elza, de dochter des huizes. Natuurlijk ziet Lancelot als een echte professionele held hier onmiddellijk een taak voor zichzelf weggelegd.
Maar als Elza en haar vader even later thuiskomen blijken ze niet gediend van Lancelots hulp. Immers: de enige manier om je tegen draken te beschermen is het hebben van je eigen draak. Lancelot werpt tegen dat het hier om de allerlaatste draak ter wereld gaat, dat alle andere draken allang verslagen zijn. Maar die bewering wordt niet geloofd.
Toch zet Lancelot door en hij daagt de draak uit tot een duel. De draak verschijnt in een menselijke gedaante die hij naar believen kan veranderen, en hij neemt de uitdaging aan. De burgemeester van de stad en zijn zoon Genrich (de verloofde van Elza en tevens secretaris van de draak) maken Lancelot onomwonden duidelijk dat niemand in de stad zijn hulp wenst. Hij zou de orde en rust maar verstoren.


Tweede bedrijf
De draak geeft Elza een opdracht: voordat het duel tussen hem en Lancelot plaatsvindt moet Elza de jonge held doden. Maar Elza wordt verliefd op Lancelot, en ze weigert openlijk om de opdracht uit te voeren.
Volgens de wet moet de burgemeester Lancelot van wapens voorzien. Maar het bekken en de onderzetter die hij ter beschikking stelt zijn de held van weinig nut. Gelukkig heeft Lancelot ook echte helpers: de kat en de twee rondreizende ambachtslieden. Die laatsen helpen hem aan een vliegend tapijt, aan een hoed die onzichtbaar maakt, een zwaard en een magisch muziekinstrument.
Vanaf het plein voor het stadhuis proberen de burgers het duel te volgen. Lancelot slaagt erin de draak alledrie zijn koppen eraf te slaan en de draak sterft. Maar in de strijd is Lancelot ernstig gewond geraakt. Om zichzelf tegen de burgers te beschermen vlucht hij weg. Als Lancelot na het duel niet gevonden wordt neemt men aan dat hij dood is.


Derde bedrijf
Een jaar later. De draak is dood, maar er is een nieuwe draak opgestaan: de burgemeester. Hij heeft zichzelf uitgeroepen als de enige echte drakendoder en redder van de stad. Zijn zoon Genrich heeft hij benoemd tot burgemeester. De ambachtslieden die indertijd Lancelot hielpen zijn gevangen gezet, de overige burgers gaan mee in de leugen.
Vlak voordat de nieuwe president nu op zijn beurt met Elza gaat trouwen duikt Lancelot plotseling op. Hij verbaast zich over de nieuwe slaafsheid van de burgers, hij roept hen ter verantwoording en concludeert dat er blijkbaar nu een ander soort held vereist is: één die de draak in elk individu verslaat.
De burgemeester en Genrich belanden in het gevang en Lancelot trouwt met Elza. Aan het voorgeschreven gelukkige einde van het sprookje is voldaan, maar of Lancelot in staat is deze nieuwe, niet-sprookjesachtige heldenrol te vervullen, blijft een open vraag.


Personages

Lancelot   Arjen Roodvoets
Draak   Betta Plebani
Charlemagne, archivaris   Egbert Fortuin
Elza, zijn dochter   Stephanie Kröner
Burgemeester   Alexander Woudt
Genrich, zijn zoon   Hans Loos
Kat   Maaike Timmers
1e vriendin   Margje Post
2e vriendin   Geno van Breemen
3e vriendin   Mariëlle Beers
jongetje   Esther Veldhuizen
ambachtslieden   Esther Veldhuizen en Cecile Brommer
wachter   Jacob Woudt
venter   Michel Neijman
cipier   Pavel Matjuchin
tuinman   Gerard Hofman
1e burger   Reina van den Heuvel
2e burger   Avelien Boom
3e burger   David Pineda
4e burger   Hanneke Donia Nota

regie   Natka Pupovac-Sanders en Jenny Stelleman
decor   M. Tijd Snoodijk en Hans Loos
muziek   V. Agic-Aga en M. Mileusnic-Organ
kostuums   Mia Decleir van Toneelschool Amsterdam
licht   Mieke Harlaar
souffleur   Lena Liaschenko
programma   Marike Hoekstra (tekst) en M. Tijn (vorm)

met dank aan   Ellen Bojanić, Olja Tielkes, G. Ridderbos, 

Arthur Sanders, Hans van der Molen, Jos Thie, 
Liesbeth Vink, Mijntje van Kemenade en Henk en Cock

Evjenij Schwarz (1896-1958)

Evgenij Schwarz werd in 1896 geboren in Kazan. Tijdens zijn studie sloot hij zich aan bij een amateurgezelschap, waarmee hij in 1921 naar Petrograd trok. Als snel kreeg hij daar contact met allerlei literaire groeperingen, zoals de Seriapionsbroeders en de Oberioeten. Hij werd redacteur van de Staatsuitgeverij en zo ontstond zijn interesse voor kinderliteratuur. Begin jaren dertig begon hij zelf toneelstukken voor kinderen te schrijven en later ook voor volwassenen.

Het literaire klimaat waarin Schwarz zijn stukken schreef was verre van gunstig: het was de tijd van de Grote Terreur van Stalin en van de Tweede Wereldoorlog. Schwarz was een van de weinige auteurs uit deze periode die zijn sterk maatschappijkritische inslag niet verloochende, al verhulde hij deze meesterlijk door zijn mening in de vorm van 'onschuldige' sprookjesdrama's te gieten. Zijn eerste stukken zijn dan ook geënt op bekende sprookjes van de door hem zo bewonderde Hans Christiaan Andersen, zoals De sneeuwkoningin, De naakte koning en De schaduw.

De draak (1943) is echter een zelfbedacht sprookje, waarin alle archetypische sprookjeselementen worden geparodieerd. Net als De naakte koning en De schaduw gaat het over het fenomeen 'tyrannie' en het psychologisch effect hirvan op massa en individu. Dankzij een aantal toespelingen op nazi-Duitsland (de vervolging van de zigeuners, de Duitse namen van de burgers...) wist De draak de censuur te passeren, maar bij de opvoering van Schwarz' vaste regisseur Nikolaj Akimov was het zonneklaar dat dit stuk eigenlijk de toenmalige Sovjetliteratuur liet zien. Net als bij zijn vroegere stukken werden verdere opvoeringen verboden. Pas na de dood van Schwarz, tijdens de Dooiperiode in de jaren zestig kon Akimov De draak en ook andere stukken van Schwarz op het repertoire zetten. Tijdens de inval van Tsjechoslowakije in 1968 was opvoering van De draak opnieuw uit den boze.

Na De draak schreef Schwarz 'fantastische' sprookjes, waarin de voregere controversiële thematiek ontbreekt. In zijn vaderland was Schwarz lange tijd vooral bekend om deze latere stukken en zijn toneel voor kinderen. In West-Europa kent men Schwarz voornamelijk als schrijver van De draak.